BRUGGE
De Dijver – ooit de noordgrens van een eiland – was begroeid met eikenbomen. Heilige bomen voor de Kelten. Van oudsher is de Dijver dus een plaats van samenkomst, een cultusplaats. De naam Dijver betekent ‘heilig water’. Het is de oudste Brugse toponiem en houdt verband met het Keltische woord ‘divara’, wat ‘de goddelijke’ betekent. Nog tot ver in de elfde eeuw oefende de plaats een magische aantrekkingskracht uit, waar mensen offergaven naar toe brachten en cultische maaltijden hielden.
Omstreeks 1050, vestigde de heremiet Everelmus zich op de Dijver. Het is zeer waarschijnlijk dat hij een kerkje oprichtte, toegewijd aan de Heilige Bartholomeus. De komst van Everelmus in de elfde eeuw maakte vermoedelijk een einde aan de pre-Germaanse Keltische praktijken. Er is een gedenksteen bewaard die als volgt vertaald kan worden. “Hier rust Everelmus, de kluizenaar, die gedurende twaalf jaar op dit eiland, ons gewijd bos, geleefd heeft en er stierf in het jaar des Heren 1060”. De restanten van zijn kluizenaarswoning vormden het fundament voor de inmiddels verdwenen Eekhoutabdij. Rond ongeveer 1127 maakte de Dijver deel uit van de eerste stadsomwalling van Brugge.
Vandaag is de Dijver een waterloop en een straat. De rei loopt van de Gruuthusebrug tot aan de Rozenhoedkaai en het Huidenvettersplein.
Het pand waar u verblijft heeft er eveneens een rijke geschiedenis opzitten. In een verkoopakte van 1737 is sprake van een grote poort en een doorgang in de voorgevel, en een poortje dat uitkomt in het Melckwietstraatje (de huidige Groeningen). Op het terrein achter het huis stond een werkhuis en een logie. Tot het eigendom behoorde ook een eiland in de waterloop Dijver. Dat eiland wordt afgebeeld op de kaart van Marcus Gerards (1562) en is op dat ogenblik nog bebouwd.
Op 2 september 1770 koopt Joannes Vander Stricht het bestaande Middeleeuws dubbelhuis De Schelpe. Vander Stricht is de proost van de Onze-Lieve-Vrouwekapittel in Brugge en abt van Sint-Rochus in Segni. Een week later koopt Vander Stricht ook het links aanpalende pand Dijver 14, genaamd Huis Den Blauwen Arent. Op die manier strekt zijn eigendom zich uit tot aan de proosdij van de Onze-Lieve-Vrouwekerk, Dijver 12, de ambtswoning van de proost en het gebouw waarin de administratie van een proosdij zetelt.
Deze manier van samenvoegen van middeleeuwse huizen, en ze verbouwen tot een ruimere woning, kadert volledig binnen de gangbare tendensen van de 18de eeuw. De opkomende burgerij, de kapitaalkrachtige ambtsadel en in mindere mate ook de geestelijkheid investeerden in de achttiende eeuw in huisvesting. Van de opgekochte gebouwen werden de oude trapgevels vervangen door bepleisterde lijstgevels met meer en grotere ramen, ze lieten oude bijgebouwen omvormen tot moderne koetshuizen en richtten tuinpaviljoenen en serres in. Aan Dijver 15 werd achteraan het perceel een paviljoen gebouwd dat geritmeerd wordt door vier rondbogen met sluitstenen en tussenpilaartjes met imitatie-bossage. Ondanks het feit dat de woningen verhuurd werden, getuigt het interieur toch van een geraffineerde finesse waarbij de nieuwste Franse mode werd gevolgd.